De”HuSi”

De “HuSi”  werd ontworpen vanuit een nood aan afdoende observatieschalen voor jonge kinderen met ASS en een verstandelijke beperking. Er was nood aan een doordacht en gericht observatie-instrument dat het algemeen leer- en werkvermogen van het kind met ASS in kaart kon brengen.
Op basis van observaties en ervaringen die ik de afgelopen vijftien jaar als ergotherapeut heb opgedaan, schreef ik zelf de “HuSi”.

De “HuSi” (Huygen Sigrid) is een diagnostisch begeleidingsinstrument om de cognitieve leerbaarheid van laagfunctionerende peuters en kleuters met autisme in kaart te brengen. Het is een kwalitatief instrument dat, aan de hand van gerichte observaties, de beroepsbeoefenaar in staat stelt het functioneren en het handelen van het kind te evalueren. Het doel is de behandeling te optimaliseren door een reflectie te maken op de manier van behandelen en de behandelingsdoelstellingen op te stellen, aan te vullen en/of te herformuleren.

De vragenlijst bestaat uit 2 grote delen.
De kindgerichte en taakgerichte factoren worden bevraagd in het eerste deel.
De vragen vermeldt in het kindgerichte deel peilen naar factoren die het gedrag en de werkhouding van het kind kunnen bepalen.

 

GERICHTHEID

WERKHOUDING

DE MANIER WAAROP HET KIND LEERT

LEERBAARHEID

AANDACHT – HULP VRAGEN / CORRECTIE

FRUSTRATIE

FIJNE MOTORIEK
basis motorische vaardigheden
overgang
fijn motorische vaardigheden
pengreep

DE GEVOELIGHEID VAN PRIKKELS

VREEMD (BEWEGINGS)GEDRAG

INTERESSE / BELONING

MEDICATIE / THERAPIE

 

De vragen vermeldt in het taakgerichte deel peilen naar factoren die de structuur en de duidelijkheid van een taak of meerdere taken bepalen. Maar ook naar de noodzaak van structuur indien er meerdere taken gelijktijdig aangeboden worden. Hoe meer de taken op het niveau van het kind  gestructureerd en verduidelijkt kunnen worden hoe groter de kans dat het kind leert en zichzelf kan ontwikkelen.

Het taakgerichte deel wordt opgesplitst in 4 vragenlijsten:

HET WERKVLAK

DE LOSSE ELEMENTEN

HET KLEUTERWERKSCHEMA

HET TAKENSCHEMA

In het tweede deel van de observatielijst worden de inhoudelijke doelstellingen van de afgelopen periode beschreven en getoetst. Er wordt genoteerd op welke niveau het kind functioneert op het vlak van visuele waarneming, tactiele waarneming, fijne motoriek, vormgeving, voorbereidend lezen, schrijven, rekenen, computer,…. Opvallend is echter dat kinderen met autisme en minder mentale mogelijkheden veel kleinere leersprongen maken.

De omschrijving van het huidig cognitief en fijn motorisch functioneren differentieert zich dan ook van andere verslagen omwille van een meer verfijnde omschrijving van de deelhandeling(en) waarop er in de afgelopen periode gewerkt is en eventueel vooruitgang is geboekt.

Dit deel van de HUSI kan aangevuld worden met testgegevens.

De 4 grote vraaglijsten van het tweede deel bestaat uit:

VOOROPGESTELDE DOELSTELLINGEN
ALGEMENE EN SPECIFIEKE DOELSTELLINGEN

TESTGEGEVENS

OBSERVATIES
inhoud / strategie / handeling

EVOLUTIE VAN DE BEHANDELING
CONCLUSIE

Dit tweede deel geeft meer concreet informatie over de manier waarop en het niveau waarop de taken worden aangeboden.
Zijn de taken voldoende afgestemd op de het leervermogen van het kind?
Dit deel kan met een kritische blik gebruikt worden om uw eigen inbreng naar het kind te evalueren en zo de leersetting te optimaliseren.

logo_pxl_healthcare

De observatielijst is nog niet verkrijgbaar. In samenwerking met de Provinciale Hogeschool Limburg (PXL) Departement  Healthcare, opleiding ergotherapie wordt het eerste deel van de lijst al voor meerdere jaren op rij door studenten geëvalueerd op verschillende inhoudelijke domeinen.

  • In het schooljaar 2009-2010 werd een afstudeerproject gemaakt door 2 studenten. Er werd een vergelijkende studie gemaakt tussen de “HuSi” en andere observatielijsten die voor deze populatie voorhanden zijn. Het besluit was dat de “HuSi” uniek is omwille van zijn tweeledigheid, namelijk het kind en het taakgerichte deel. Kennis van de trap van begeleiding is noodzakelijk om de lijst volledig te kunnen invullen.
  • In het schooljaar 2010-2011 werd een afstudeerproject gemaakt door 3 studenten. Er werd nagegaan welke executieve functies kinderen ontwikkelen tot een leeftijd van 7 jaar. Nadien werd er bepaald of al deze executieve functies worden bevraagd in de “HuSi”. Het antwoord was positief. Op basis van een opdeling van het aantal items in de HuSi per domein van executieve functies bleek dat de HuSi 76 procent executieve functie-gerelateerde items bevat.
  • In het  schooljaar  2011-2012  werd er een literatuurstudie gedaan over de fijn motorische ontwikkeling bij kinderen met ASS op peuter- en kleuterleeftijd. Hieruit bleek dat 50 -73% van de kinderen met ASS wel degelijk een motorische achterstand vertoont (Berkeley et al. 2010) . Voornamelijk hun ‘autisme-stoornis’ zou aan de basis liggen van hun heel specifieke problemen met  betrekking tot hun fijn motorisch presteren. Daarenboven leerde de literatuurstudie ook dat naast de imitatieproblemen, een grote groep van deze kinderen ernstige moeilijkheden ervaart tijdens het verwerken van sensorische informatie. Allemaal  aspecten die wel degelijk hun weerslag hebben op de praxie.
    Op basis van deze bevindingen werd de fijn motorische vragenlijst van de “HuSi” aangepast, aangevuld en van een andere indeling voorzien.
  • In 2013 hebben twee studenten in vraag gesteld of positief bekrachtigen een meerwaarde kan zijn om het handelen op vraag te stimuleren. Het besluit was dat het belonen van peuters en kleuters met een verstandelijke beperking het meest effectief is wanneer er een concrete beloning gegeven wordt die snel op de actie volgt. De beloning dient in die zelfde context gegeven te worden en moet inspelen op de interesses van dat kind. Daarnaast dient er variatie te zijn in de beloningen en dienen de redenen van belonen in duidelijke, concrete gedragstermen te worden benoemd. Evidence-based werden meerdere vragen rond het aspect belonen in de HuSi geherformuleerd en enkele vragen toegevoegd.
  • In het schooljaar 2014-2015 werd het vragenpakket rond het onderwerp frustratie verder uitgediept. Ook dit deel van de lijst werd kritisch bekeken, aangevuld en wetenschappelijk getoetst.
  • Momenteel wordt de lijst verder geoptimaliseerd en experimenteel toegepast.

Na het op punt stellen van de observatielijst zal de “HuSi” in een publicatie worden voorgesteld.
Nadien zal er aan de hand van enkele studiedagen de meerwaarde van het gebruik van de “HuSi”, bij het individueel opstarten en evalueren van de therapeutische behandeling bij peuters en kleuters met ASS en een verstandelijke beperking, worden toegelicht.

Sigrid Huygen